background image
1. De eerste naam Eskareen is afgeleid van het woord Eskara (of
Askara). Zo noemde men het deel van de offers, dat aan God
toekwam en ook de geurige wierook die aan het tarwemeel-
offer toegevoegd werd.
2. Hun tweede naam Chasideeën betekent zoveel als ‘de
barmhartigen’, doch de oorsprong en betekenis van de naam
Essenen ben ik vergeten. Het ontstaan van dat soort vrome
mensen gaat tot de tijd van Mozes en Aäron terug; zij stamden
van de priesters af, die de Verbondsark droegen, doch pas in de
tijd tussen Jesaja en Jeremia ontvingen zij een bepaalde
levensregel.
Aanvankelijk waren zij niet talrijk, doch later woonden zij in
groeperingen in het Beloofde Land over een grote uitgestrektheid
verspreid. Naderhand woonden zij ook in de Jordaanstreek. Zij
waren echter grootstendeels gevestigd in de gebergten Horeb en
Karmel, waar ook Elias zich opgehouden heeft6.
6 Meerdere verklaringen in het voorgaande vragen een weinig opheldering.
Wij zul en beginnen met een woord te zeggen over de Essenen, omdat er in
Jezus’ leven zo dikwijls sprake van zal zijn. Het is dus zeer nuttig er een
idee van te hebben, te meer daar ze sedert 1947 (vondsten te Qumram) een
voorwerp van belangstelling geweest zijn.
Gehuwde Essenen waren er ook in Jezus’ familie.
Wat K. Emmerick er over zegt, wordt door Flav. Jos. (= Flavius Josephus, de
joodse geschiedschrijver) bevestigd. Het een of ander verschil is door een
variante in hun leven gemakkelijk te verklaren.
***
Wij kunnen de orde der Essenen in strikte zin vergelijken met de oude,
strenge klooster- of monnikenorden in de katholieke Kerk, met dit verschil
dat ze nog een harder levensregel volgden en voor tekortkomingen strenger
gestraft werden.
Na grote ontrouw konden zij zelfs, volgens Flavius Josephus, nauwelijks nog
genade vinden. Sommigen kwamen dan ook ellendig, verzekert hij, aan hun
einde. De Essenen vatten hun leven buitengewoon ernstig op.
Ook hadden zij, alvorens bij de gemeenschap ingelijfd te worden, een
proeftijd te doorstaan: een jaar postulaat en 2 jaren noviciaat.
Fascikel 1
17