background image
gedurende het gebed en het offer een tak in de hand houden, en op
het ogenblik dat hij die op het altaar vóór het Allerheiligste
wilde neerleggen, kwam onmiddellijk uit het boveneinde een
witte bloem te voorschijn als een lelie, en ik zag een
schitterend licht boven hem verschijnen en de H. Geest daarin
op hem nederdalen.
Nu erkende men dat Jozef door God voorbestemd was om de
bruidegom van Maria te zijn en men stelde hem aan haar voor in
de tegenwoordigheid van haar moeder. Overgegeven aan de wil
van God182, nam Maria hem ootmoedig als haar bruidegom aan,
want zij wist dat alles mogelijk is bij God, die haar belofte ‘Hem
alleen met ziel en lichaam toe te behoren’, aangenomen had.
182 Overgegeven aan Gods Wil. – Hier zou weer een mooi stukje mystieke
literatuur op zijn plaats zijn.
“Niets wilde ik op aarde buiten God bezitten”, openbaarde Maria aan
Brigitta; “ik wijdde Hem onder belofte mijn maagdelijkheid toe, indien
dit Hem aangenaam was, doch indien God het anders wilde, mocht zijn
wil en niet de mijne geschieden; derhalve stelde ik mijn wil in zijn
handen, omdat ik wist dat bij God alles mogelijk is.
Hij weet dat ik niets wens noch wil buiten Hem, en dus, als het Hem
behaagt, kan Hij mij in de maagdelijkheid bewaren, zoniet, dat zijn
heilige Wil geschiede.”
***
Wat de gevoelens betreft, die Jozef bezielden, toen hij als bruidegom de H.
Maagd toegewezen werd, Maria zegde hierover tot de H. Brigitta:
“Weet en houd voor zeker dat Jozef, alvorens zich met mij te verloven,
in de H. Geest erkende dat ik mijn maagdelijkheid aan God toegewijd
had en smetteloos was in gedachten, woorden en werken.
Bij zijn verloving met mij had Jozef de bedoeling zich te mijnen dienste
te stellen en mij als zijn meesteres, niet als zijn echtgenote te
beschouwen. Met zekerheid wist ik dan ook dat mijn maagdelijkheid
eeuwig ongeschonden zou blijven, hoewel ik, volgens de
raadsbesluiten van God, aan een man verbonden zou zijn.” (Openb. 1,
10; VII, 25).
En nog op een andere plaats: “Jozef was aan de wereld en het vlees zo
afgestorven, dat hij met al zijn begeerten naar het hemelse reikhalsde;
al zijn verlangens waren erop gericht God te gehoorzamen en zijn Wil
te volbrengen.” (Openb. VI, 59).
Fascikel 3
321