background image
‘s Namiddags, om de tijd waarop de Joden op de sabbat een
wandeling plegen te doen, (zie fasc. 4, nr. 107, voetnoot 227),
gingen zij door het kleine dal achter de grot naar de grafspelonk
(Melkgrot) van Maraha, Abrahams voedster; zij bleven een
aanzienlijke tijd in die grot, die ruimer was dan de grot van de
kribbe (zie huidig nr. 117, voetnoot 253). In deze grafgrot zorgde
Jozef weer voor een zitplaats voor Maria; daarna baden zij ook
nog lange tijd onder de heilige boom boven de grot. Maria
volhardde hier in het gebed, totdat Jozef, die weer voor het sluiten
van de sabbat naar Bethlehem gegaan was, haar kwam halen om
met haar naar de geboortegrot terug te keren.
Maria had tot de H. Jozef gezegd dat haar Kind heden te
middernacht geboren zou worden; het was immers op dat uur 9
maanden geleden dat Gods engel haar begroet had.
Zij had Jozef gesmeekt om van zijn kant geen moeite te ontzien
om het door God beloofde en miraculeus ontvangen Kind bij zijn
intrede in de wereld zo eervol mogelijk te ontvangen.
Ook verzocht zij hem zijn gebed met het hare te verenigen, om
voor de hardvochtige lieden, die hun onderdak geweigerd hadden,
genade te verwerven.
Jozef vroeg haar of zij het niet goed vond dat hij naar Bethlehem
ging, om de hulp in te roepen van een paar goede vrouwen, die hij
daar kende, doch zij wees dit voorstel af met de verzekering dat
menselijke hulp haar onnodig zou zijn256.
256 Menselijke hulp onnodig. – “De H. Lukas”, zo schrijft F. Prat (Jezus
Christus I, 185), “verhaalt met bewonderenswaardige takt de maagdelijke
geboorte van Jezus; hij voelt zich niet bevoegd er iets aan toe te voegen.
De apokriefen hebben dit eerbiedig zwijgen geschonden met smakeloos
verzonnen bijzonderheden, om niet te spreken van het onbetamelijk
verdichtsel der twee, door Jozef ontboden vroedvrouwen.”
Hier spreekt K. wel van vroedvrouwen, doch het is enkel een aanbod van
Jozef, die minder in Gods geheimen ingewijd was dan Maria. Hier zien wij
weer dat K. niet door de apokriefen beïnvloed is, oorspronkelijk en natuurlijk
is. Wellicht heeft Maria Jozefs bekommernis, zoals meer andere dingen uit
haar en Jezus’ leven, aan vriendinnen meegedeeld en kwam deze
Fascikel 5
479