background image
Ik zag bronnen ontspringen en zwellen. Zo ontsprong op het uur
van de geboorte van Jezus, in de grot die zich ten noorden van die
der geboorte in dezelfde heuvel bevindt, een rijke bron, waarvoor
de H. Jozef de volgende morgen een bekken en een afleiding
maakte261.
23 december 1819. –
Hier lassen wij een andere beschrijving in van de vreugde in de natuur 
in de kerstdagen, zowel kort vóór als na het feest.   
Wat de zienster beschrijft is eerder een beeld van een 
bovennatuurlijke, dan van een natuurlijke werkelijkheid, hoewel een 
visionaire geest in de natuur eventueel verschijnselen kan zien, die 
voor een gewoon waarnemingsvermogen onzichtbaar zijn.  
“In de avond van 23 december 1819 ontboezemde de zienster”, zo 
zegt Brentano, “haar opgetogen geestdrift, in extase en bijna in een 
toestand van gedaanteverandering, vlot en met het grootste gemak, 
als volgt:”  
“Kijkt hoe door heel de natuur een vreugdevolle rilling vaart, hoe
ze glanst en lacht in de blijdschap van de onschuld. Het is alsof
een dode uit zijn windsels komt, alsof een lijk uit de rotheid, uit
het stof en de duisternis van het graf oprijst, te voorschijn treedt
en getuigt dat het niet alleen het lichaam, het leven, de jeugd, de
gezondheid, de vreugde, de lach heeft teruggekregen, maar ook de
onsterfelijkheid, de onschuld en reinheid en dat de mens voortaan
weer het evenbeeld is van de heilige en onsterfelijke God.
Alles herleeft, alles is dronken van de vreugde der onschuld, is
vervuld met de jubel der dankbaarheid (voor de Verlossing die
met Christus’ geboorte begint).
261 Hoewel K. van die bron verder (b.v. fasc; 11, nr. 307) nog gewag zal
maken, is deze aanwijzing moeilijk te verklaren. In die grot is achter het
altaar een put van 4 m bij 4 m in de rotsbodem. De vraag nu is of die put
door een kanaal een uitmonding heeft naar buiten.
Fascikel 5
490