background image
Die verwantschap dezer herbergbestuurders met Jezus was slechts
aan weinige familieleden bekend. De Joden zochten zulke
schande liefderijk te bedekken, maar de vruchten van zulke
vergrijpen bleven toch altijd ongeziene minderwaardige mensen.
Gedurende zijn verblijf hier sprak Jezus meermalen
met deze echtgenoten afzonderlijk. (cfr. fasc. 1, nr. 13).
Hier waren nu 10 Joannes-leerlingen, onder wie
‐ Mattias of Matteüs van Kleofas en
zijn twee broeders Jakob en Sadok, alsook
‐ Azor van de Kleofas van Emmaüs en
Judas Barsabas.
Tien andere waren met Lazarus uit Jeruzalem en Betanië
gekomen. Kleofas van Emmaüs is pas in Jezus’ allerlaatste dagen
definitief een meetrekkend leerling geworden, maar Hij was de
Heer reeds zeer verkleefd; dikwijls sprak hij over Hem met Jozef
van Arimatea en hij betaalde ook in de onkosten voor de
herbergen.
Alle aanwezige vrienden en leerlingen aten en sliepen met Jezus
in de nieuw ingerichte herberg. Door de zorgen van Lazarus en
de H. Vrouwen was de herberg van het nodige huisraad voorzien,
en waren er deksels, tapijten, bedden, schermwanden, sandalen en
allerlei kledingstukken in voorraad.
Marta had nabij de woestijn van Jericho (die zich tot tegen
Betanië uitstrekte), een huis vol vrouwen, die al zulke voorwerpen
ten dienste van Jezus vervaardigden; zij had daar woning en
arbeid verschaft aan menige arme weduwe en gevallen vrouw die
nu boetvaardigheid wilde doen en zich op een beter leven
verlangde toe te leggen; zij bezorgde hun gepast werk, maar dit
alles geschiedde in stilte en zonder ophef of ruchtbaarheid. Het
was geen kleinigheid zo vele herbergen voor zo vele mensen van
het nodige te voorzien, er gedurig een oog op te houden en er
boden naartoe te zenden en zelfs in eigen persoon alles te gaan
nazien.
Fascikel 17
1095