background image
Soms had een synagoge zijn eigen predikant of schriftuurverklaarder,
maar wie de nodige bekwaamheid meende te hebben, mocht zich
aanbieden om de lezingen te houden en uit te leggen. Dit deed Jezus
regelmatig en ook later de apostelen veelvuldig. Was een bekend
wetgeleerde, een vreemd of reizend leraar aanwezig, dan lag het voor de
hand dat hij uitgenodigd werd om de lezing te doen en het woord te voeren.
Tot het personeel behoorde een voorbidder of ook voorzanger en een
dienaar, ‘Hazzan’ genaamd, een soort koster, die voor de rollen zorgde,
deze de voorlezer aanbood, en ze daarna weer in hun doeken hulde en
wegborg; tevens was hij onderwijzer die de kinderen onderrichtte; ieder
synagoge had een school of diende zelfs tot school.
Één persoon kon ook meerdere bedieningen vervullen.
Het heiligste meubelstuk in een synagoge was de ‘TEBA’ of kast,
waarin de wetsrollen eerbiedig weggeborgen en bewaard werden, nadat
men ze in kostbaar linnen gehuld en in kokers geschoven had.
Vóór de kast hing een dubbel voorhangsel en soms was er nog een deur
vóór aangebracht; de kast stond gewoonlijk naar achteren toe, was ook wel
in de achtermuur aangebracht.
Ook kon ze meer naar voren staan, dichter bij het verhoog of
preekgestoelte dat een lessenaar had om de boeken open te rollen en een
zetel voor de voorbidder, voorlezer en predikant of uitleggever.
Tussen dit gestoelte en de ‘teba’ stonden de erezetels voor de personen
van aanzien, waartoe de Farizeeën zichzelf rekenden; ze namen plaats met
de rug naar de ‘teba’ en het aangezicht naar het preekgestoelte en het
publiek. Deze plaatsen waren ook wel anders geschikt, volgens de
plaatselijke gesteldheid en de beschikbare ruimte.
De gelovigen namen plaats vóór de estrade of verhoog, dus lager en
hier waren de vrouwen gescheiden van de mannen door tralies;
meestal was hun plaats meer verheven, het was een soort tribune met een
eigen ingang en door tralies van het overige afgescheiden.
Rond de zaal liep langs de muren dikwijls een stenen zitbank, ja, 2 of 3
boven elkaar; dit voor meer voorname personen; de gewone man hurkte op
de grond.
De afscheiding tussen mannen en vrouwen was streng verplichtend.
Zelfs nu nog wordt in de synagogen gewaakt over de zedigheid van de
vrouwen, die niet gedecolleteerd noch met blote armen mogen verschijnen
(Guide bleu, 80). Ook de meisjes hebben hun eigen plaats, waar zij van de
jongens gescheiden en afgezonderd zijn.
Fascikel 18
1304