background image
Feest bij Kornelius.
893.
Er was heden ook een feest bij Kornelius, de Romeinse
hoofdman, voor de genezing van zijn knecht (fasc. 19, nr. 858).
Zeer vele heidenen, meestal arme, zijn naar zijn huis getrokken.
Na de genezing had hij Jezus aanstonds laten weten, dat hij vele
brandoffers van alle diersoorten zou laten brengen.
Maar Jezus liet hem antwoorden dat hij maar liever
zijn vijanden zou uitnodigen en zich met hen
verzoenen, en ook zijn vrienden om ze te
onderrichten en de armen om ze te verkwikken en
met de offerspijzen te vergasten, aangezien God geen
behagen heeft in brandoffers. (cfr. Mt. 5, 23-24: Ps. 50,
18). Ik zag derhalve zeer vele heidenen door Betsaïda en over de
hoogte naar Kornelius’ huis trekken, waar het feest plaatshad.
‘s Morgens zag ik Jezus en vele leerlingen op de doopplaats (die
midden in de kleine vlakte Tabiga was). Saturninus had het groot
genoegen zijn 2 jongere broers en zijn oom, die nog heidenen
waren, te mogen dopen.
***
Over Saturninus komt het volgende mij voor de geest.
Hij vernam voor het eerst door een bruine man de geschiedenis
van Jezus’ ster en geboorte. Die man was een onderdaan geweest
van Saïr, de donkerst gekleurde der drie koningen, die de tocht
naar Bethlehem meegemaakt had.
In een oorlog, geloof ik, of op een reis had Saturninus hem leren
kennen en hierop trok hij naar Jeruzalem. Dit was in het begin
van Joannes’ optreden en hij werd een van zijn eerste leerlingen.
Zodra Jezus na zijn doop (en zijn veertigdaagse vasten) weer
verscheen, ging Saturninus met Andreas aanstonds tot Hem (fasc.
12, nr. 350).
Fascikel 20
1620