background image
Zij dankten in dit gezang
- voor alle weldaden die God hun van het begin af bewezen had,
- voor de redding uit Egypte en
voor de doortocht door de Rode Zee,
- voor de Wet en voor de Verbondsark,
- voor de heilige Tabernakel, de priesterklederen en de tempel
(Ex. 14 tot einde),
- voor de wijze koning Salomo en
zij voegden er een smeekbede aan toe om een nieuwe, even wijze
koning. (Deze koning kregen zij in de Messias, dien zij echter
verwierpen).
Aan dit feest dat reeds vóór Salomo en vóór de tempel door een
profeet was ingesteld, was door Salomo ook een vermakelijkheid
toegevoegd, naar aanleiding der geschenken van de koningin van
Saba, die hem zo hoog vereerde. Deze geschenken had hij
aangewend om de priesters en het volk eens deugdelijk te
vergasten en te verlustigen; met de tijd heeft deze ontspanning
zich ontwikkeld tot een soort rusttijd of vakantie (van enkele
dagen), waarin men zich verlustigt, ontspant en zijn krachten
herstelt. Omdat men dit feest overal kan vieren, reizen alle
Farizeeën en tempelbeambten, die maar enigszins uit kunnen, weg
voor bezoek om voor de aanstaande grote feesten van Poerim en
Pasen nieuwe krachten op te doen.
1053.
Op dit feest worden ook vele aalmoezen gegeven; men bakt zeer
fijne witte broden en deze worden ter gedachtenis van het manna
in de woestijn aan de armen uitgedeeld. Dit feest is als het
‘AMEN’ van de feesten, ‘het feest van het begin en het einde’.
Dus een jaarlijks plechtig feest van dank voor Gods verbond met zijn
uitverkoren volk: herdenking van de sluiting van het verbond en tevens
nieuw begin voor hen die zo pas waren toegetreden tot die uitverkoren
gemeenschap, wat treffend overeenstemt met de uitdrukking door K.E.
gebruikt: ‘een feest dat SLOT en tegelijk BEGIN is’.
Fascikel 22
2001