background image
tijdelijke goederen geringschatten en dat zij om de
eeuwige goederen baden; dit had ik nog nooit vernomen.
(Bedoeld zal wel zijn de een of andere persoon, zoals b.v. de
Syrofenicische vrouw, waarover straks).
Zij gaan naar een kleine stad, die aan de zonnekant van de helling
van het dal, tussen vele tuinen verspreid ligt. Er zijn daar
spalierwanden, met leibomen er tegen uitgebreid. Er zijn ook vele
gewassen, welriekende kruiden en gewone vruchtbomen; het is
als een tuinenstad; zij hebben daar hun laatste eigen herberg. Ook
te Elkeze verbleven zij in de hunne (fasc. 14, nr. 535, voetnoot
254)579.
Jezus in de stad Dan.
1108.
17 februari = 1 Adar; Nieuwe Maan. –
Jezus is gisterenavond met de leerlingen in Dan, ook Laïsj
genaamd – men noemde het hier Lesjem – aangekomen580;
579 Na in het Jordaandal afgedaald te zijn, moeten zij, om de stad Dan te
bereiken, weer stijgen; dit is normaal, want ze moeten stroomopwaarts,
maar wat abnormaal is, dit is de vlugge stijging, nl. 14 m per km.
Dit is alle reizigers opgevallen: “Het gewest stijgt met hoogvlakten
trapsgewijze omhoog.” (Le Camus).
De stad Dan naderend noteert Delancker: “Opnieuw klauteren en klimmen
wij op hoogten en komen bij het vermaarde Dan.”
Uit de tegenovergestelde richting komend zegt een ander reiziger: “Vanaf
Dan daalden wij een zeker aantal terrassen af, altijd lager, dwars door goed
bevloeide vruchtbare velden, zonder een spoor van moeras en kwamen na
een uur bij de Nahr Banias, die daar met GROTE SNELHEID in een DIEP,
maar bloot ravijn vloeide.” (Robinson, aangehaald in D.B. Jourdain, k. 1716).
580 Dan = Laïsj, Lesjem = (huidige) Qadi. – Een woord over Dan.
De oorspronkelijke naam was en bleef nog lange tijd, gelijktijdig met de
naam Dan: Laïsj, Lesjem.
Fascikel 23
2118