background image
39. En wie van u overgebleven zijn, zullen in de landen hunner vijanden wegkwijnen vanwege
hun ongerechtigheid en ook vanwege de ongerechtigheden hunner vaderen zullen zij, evenals
dezen, wegkwijnen.
40. Maar belijden zij hun ongerechtigheid en die hunner vaderen, in de ontrouw waarmede zij
tegen Mij ontrouw zijn geweest, en ook dat zij zich tegen Mij verzet hebben, –
41. ook Ik verzette Mij tegen hen en bracht hen in het land hunner vijanden – of vernedert zich
dan hun onbesneden hart en boeten zij dan hun ongerechtigheid,
42. dan zal Ik mijn verbond met Jakob gedenken; ook mijn verbond met Isaak en ook mijn
verbond met Abraham zal Ik gedenken, en Ik zal het land gedenken.
43. Maar het land zal door hen verlaten worden en het zal zijn sabbatsjaren vergoed krijgen,
terwijl het verwoest ligt zonder hen, en zij zullen hun ongerechtigheid boeten, omdat, ja, omdat
zij mijn verordeningen versmaadden en van mijn inzettingen een afkeer hadden.
44. Maar ook zelfs, wanneer zij in het land hunner vijanden zijn, versmaad Ik hen niet en heb
Ik geen afkeer van hen, zodat Ik hen zou vernietigen en mijn verbond met hen verbreken:
want Ik ben de HERE, hun God.
45. Maar Ik zal hun ten goede gedenken het verbond met hun voorvaderen, die Ik voor de ogen
der volken uit het land Egypte heb geleid, om hun tot een God te zijn. Ik ben de HERE.
46. Dit zijn de inzettingen en verordeningen en wetten, die de HERE gegeven heeft tussen Zich
en de Israëlieten op de berg Sinai, door de dienst van Mozes.
***
Jeremia 17
1. De zonde van Juda staat geschreven met ijzeren stift, gegrift met diamanten spits in de tafel
van hun hart en in de hoornen van hun altaren,
2. als een gedenkteken tegen hen in hun gewijde palen onder elke groene boom en op de hoge
heuvels,
3. de bergen in het veld. Uw vermogen, al uw schatten zal Ik ten buit geven zonder prijs, om
de zonde in uw gehele gebied,
4. en gij zult uw hand moeten losmaken van het erfdeel dat Ik u gegeven had, en Ik zal u uw
vijanden doen dienen in een land dat gij niet kent, want gij hebt een vuur ontstoken in mijn
toorn, dat aldoor zal branden.
5. Zo zegt de HERE: Vervloekt is de man die op een mens vertrouwt en vlees tot zijn arm stelt,
wiens hart van de HERE wijkt;
6. hij toch zal zijn als een kale struik in de steppe, die het niet merkt, als er iets goeds komt,
maar staat in dorre oorden in de woestijn, een ziltachtig, onbewoond land.
7. Gezegend is de man die op de HERE vertrouwt, wiens betrouwen de HERE is;
8. hij toch zal zijn als een boom, aan het water geplant, die zijn wortels tot aan een beek
uitslaat, en het niet merkt, als er hitte komt, maar welks loof groen blijft, die in een jaar van
droogte geen zorg heeft en niet nalaat vrucht te dragen.
9. Arglistig is het hart boven alles, ja, verderfelijk is het; wie kan het kennen?
10. Ik, de HERE, doorgrond het hart en toets de nieren, en dat, om aan een ieder te geven naar
zijn wegen, naar de vrucht zijner daden.
11. Een veldhoen, dat eieren uitbroedt, die het niet gelegd heeft, zó is wie zich rijkdom
verwerft, maar op onrechtmatige wijze; op de helft zijner dagen zal hij die moeten achterlaten,
en bij zijn einde zal hij een dwaas zijn.
12. Troon der heerlijkheid, van ouds verheven, plaats van ons heiligdom,
13. hope Israëls, HERE, allen die U verlaten, zullen beschaamd worden; wie afwijken, zullen in
de aarde geschreven worden, omdat zij de bron van levend water, de HERE, verlieten.
14. Genees mij, HERE, dan zal ik genezen zijn; help mij, dan zal ik geholpen zijn, want Gij zijt
mijn lof.
15. Zie, zij zeggen tot mij: Waar blijft het woord des HEREN? Laat het toch komen!
16. Ik echter heb bij U niet op rampspoed aangedrongen, de onheilsdag heb ik niet begeerd, Gij
weet het, wat van mijn lippen uitging, was U bekend.
Fascikel 26
2604