background image
Farizeeën766, waarin Hij al hun geheime daden en
kuiperijen (= onbetrouwbare en corrupte activiteiten)
aan het licht bracht en waarin Hij hen
slangengebroed noemde en verdrukkers die aan
anderen lasten oplegden die zijzelf niet droegen.
Deze verwijten had Hij hun reeds eerder toegevoegd.
Hij sprak van hun wandelingen op de sabbat, van
hun uitzuigen der armen, van hun aftroggelarijen
met de tienden en van hun schijnheiligheid en Hij
verweet hun dat zij de splinter in het oog van
anderen bedilden en zelf de balk niet uit hun eigen
ogen verwijderden.
Voorts dat Hij zou leren, rondreizen en zieken
genezen, totdat de tijd van zijn verheffing gekomen
zou zijn, enz.
Gedurende deze bezielde, striemende strafrede riep opeens met
een zeer luide stem een jonge man onder de Farizeeën, terwijl hij
de handen omhoog hief en nader tot Jezus trad: “Waarachtig! deze
766 Hier lezen we dat Jezus een geweldige strafrede hield tegen de
Farizeeën speciaal om hun opeenstapeling van (zelfgemaakte)
sabbatvoorschriften enerzijds; en anderzijds om de spitsvondigheid
waarmee ze die ondraaglijke lasten wisten te ontduiken.
In verband hiermee bevat de Encyclopedie Jud., Jeruzalem 1971, deel 5,
art. Eruv-Eruvim, interessante gegevens, b.v. zich meer dan 2000 el van zijn
domicilie verwijderen was op sabbat verboden, (krachtens Bijbels
voorschrift, zeggen sommige rabbi’s, doch volgens andere krachtens
rabbijnse voorschriften).
Hoe dan ook, men kon zich op sabbat toch wel 4000 el verwijderen, mits
gebruik van ‘Eruv-tehumim’, d.w.z. op een afstand van iets minder dan 2000
el plaatst men dan een voldoende hoeveelheid voedsel voor minstens twee
maaltijden. Die plaats werd dan gezien als een nieuw domicilie, en van
daaruit kon men dan weer in alle richtingen 2000 el verder …
Niet te verwonderen dat we zelfs in joodse geschriften opmerkingen vinden
als deze: “Onze sabbatvoorschriften zijn gelijk bergen opgehangen aan een
haarpijltje: bergen voorschriften met weinig of geen Bijbelse grond, maar
eerder producten van allerhande ‘halakkot’ = rabbijnse afleidingen.”
Fascikel 26
2771