background image
er kwamen ijselijke mopsfiguren (zinnebeeldige gestalten van
duivelen) eruit te voorschijn; ze vlogen weg en verdwenen, maar
de zieke bleef ziek, ja, verslechtte erbarmelijk. Terwijl zij op een
ogenblik als dood in onmacht neerzonk, riep zij uit: “Die goden
kunnen mij niet helpen; het zijn boze geesten; zij kunnen het hier
niet langer uithouden; zij vluchten voor de Profeet, voor de
Koning van de Joden, die bij ons is. Wij hebben zijn ster gezien
en zijn ze gevolgd. De Profeet alleen kan mij helpen.”
Dit was de inhoud van haar weinige woorden, en aanstonds
daarop zonk zij geheel beweegloos als dood ineen, en allen waren
met huiver bevangen; zij hadden niet duidelijk geweten dat Jezus
zelf de Koning en Profeet van de Joden was; zij hadden gemeend
dat Hij slechts de gezant van de Koning was.
1602.
Zij gingen nu eerbiedig tot Jezus, die afgezonderd in de hut de
sabbat met de leerlingen vierde; zij baden Hem tot de zieke te
komen, omdat deze gezegd had dat Hij alleen haar kon helpen, dat
de afgoden onmachtig op de vlucht geslagen, ja, vernietigd waren.
Hierop zag ik Jezus met de leerlingen bij de zieke komen, die
onmachtig als op sterven lag; zij hadden hun sabbatklederen
aangehouden. Jezus sprak zeer heftig tegen hun
afgodendienst: “Gij hebt, sprak Hij, de satan gediend,
geheel uw afgodendienst is niets waard.”
Hij verweet aan Azaria dat hij, sedert zijn terugkeer
van Bethlehem (waarheen hij als jongeling met de H.
Driekoningen gereisd was), weer zo diep in de
gruwelen van de afgoderij teruggevallen was.
Dan sprak Hij verder: “Indien gij aan mijn woord en
leer geloof hecht, de geboden van God nakomen wilt
en u later, wanneer ik na 3 jaren mijn apostel
(Tomas) zal zenden, wilt laten dopen, dan wil Ik de
vrouw helpen.”
Fascikel 28
3076