background image
begrepen Hem niet en weer dachten zij, zoals reeds meermalen
deze avond, dat Hij van zwakheid en uitputting ijlde. Zij gingen
herhaaldelijk een eind verder en dan stonden zij weer stil om
met Hem te spreken. De Heer zegde ook: “Deze nacht
zult gij u allen aan Mij ergeren, want er staat
geschreven: Ik zal de Herder slaan en de schapen van
de kudde zullen verstrooid worden, doch eenmaal
verrezen zal Ik u vóórgaan naar Galilea.” (Mt. 26-31-
32; Zak. 13, 7).
De apostelen waren nog vol geestdrift en godsvrucht als een
gevolg van het zo juist ontvangen H. Sacrament en de plechtige
toespraak van Jezus; zij verdrongen zich om Hem en betuigden
Hem, ieder op zijn wijze, hun liefde; zij verzekerden dat zij Hem
niet konden en niet zouden verlaten.
Daar Jezus evenwel doorging met op dezelfde manier
te spreken, antwoordde Hem Petrus: “Indien ook allen zich aan
U ergeren, nooit of nooit wil ik aanstoot aan U nemen.”
Hierop wedervoer de Heer: “Voorwaar, Ik zeg u, juist
gij zult mij deze nacht, nog voordat de haan kraait,
driemaal verloochenen.”
Maar Petrus hield vol: “Al moest ik zelfs met U sterven, toch zou
ik U nimmer verloochenen.” (Mt. 26, 33-35). Zo spraken ook alle
overigen.
Nu eens wandelden zij een weinig verder en afwisselend stonden
zij dan weer stil, terwijl de droefheid van Jezus gedurig
toenam; zij van hun kant wilden Hem zijn droefheid
menselijkerwijze uit het hoofd praten en Hem van het tegendeel
verzekeren: zij zouden Hem getrouw blijven tot in de dood.
Zij vermoeiden zich in die vergeefse en eigenzinnige poging,
begonnen te twijfelen en kwamen zelf reeds in bekoring.
Fascikel 29
84