background image
zegde Petrus: “Meester, ik loop de andere apostelen roepen en wij
willen U verdedigen.”
Als enig antwoord hierop wees Jezus hun een troep
gewapende mannen aan. Ze bevonden zich reeds in de
vallei, nog aan gene zijde van de Kedronbeek op enige afstand; zij
naderden met fakkels in de hand, en Jezus sprak: “Eén van de
12 heeft Mij verraden!” Doch zij hielden dit voor
onmogelijk.
Jezus had zich geheel hervat en met alle kalmte
deelde Hij hun nog veel nuttigs mee en beval hun ook
nogmaals zijn Moeder te troosten en besloot met deze
woorden: “Laten wij de vijand tegemoet gaan. Ik wil
Me zonder verweer in hun handen overleveren.”
Nu verliet Hij met de 3 apostelen de Olijfhof en trad de
gerechtsdienaars tegemoet op het pad dat deze hof van de hof van
Getsemane scheidt.
(Zie kaart, hierna, op de weg tussen 7 en 8 en verder tussen 8 en 9 
tot bij de zuidoosthoek van Getsemani, die wat meer naar ‘t zuiden 
reikte, nl. tot het priesterkoor van de huidige kerk, waar nu een 
rotssteen, uit de grond opstekend, aan de gevangenneming van 
Jezus en de kus van Judas herinnert, hoewel men nu beweert:  
aan Jezus drievoudig gebed in zijn zielestrijd).  
Fascikel 29
136