background image
schimpwoorden op de hals van de kant der begeleidende
Farizeeën. Zij beschuldigden Hem van snoeverij en
godslastering en snauwden Hem toe zijn gewoon gezwets daar
te laten, aangezien Hij voortaan geen dier, laat staan een mens
nog te drinken zou geven.
Er werd mij ook getoond dat deze 2 mannen, die zijn boeien
losser gemaakt en Hem te drinken geboden hadden, met
bovennatuurlijke verlichting begenadigd werden. Nog vóór de
dood van Jezus bekeerden zij zich en later voegden zij zich bij de
christengemeente. Ik heb geweten welke namen zij nu droegen en
ook hoe zij later als leerlingen heetten en bovendien ook het
overige en de samenhang van hun geschiedenis, maar het is
onmogelijk dat alles te onthouden; het is al te veel.
1819.
Onder telkens nieuwe mishandelingen zette de stoet zich nu
weerom in beweging en men begon de beklimming van de
heuvelhelling en trok weldra door de poort van Ofel (door de
waterpoort).
Hier werd de stoet ontvangen onder groot misbaar (= overdreven
gevoelsuiting; gejammer, gehuil, geklaag, geschreeuw, geween, grote ophef, luid
geschreeuw) van de kant der inwoners, die Jezus om zijn weldaden
dankbaar verknocht waren. Slechts met de grootste moeite
konden Jezus’ vijanden de mannen en de vrouwen, die van alle
zijden op hen aandrongen, tegenhouden. Zij stroomden toe,
wrongen de handen, vielen op hun knieën en riepen met
vooruitgestrekte armen: “Laat die man toch los! geef ons die man
terug! wie zal ons voortaan helpen, wie ons troosten, wie ons
genezen? Geef Hem ons terug! laat Hem vrij!”
Het was hartverscheurend te zien hoe de bleke, ontstelde,
doodvermoeide Jezus, met verwarde haren en baard, met een
nat, besmeurd en slordig opgeschort kleed, als een arm,
machteloos offerdier door onbeschaamde, halfnaakte
gerechtsdienaars aan touwen werd vooruit gerukt, door de
Fascikel 29
179