background image
De resten zijn bevat of verwerkt in het gebouwtje dat zich midden in de 
ruimte onder de grote, brede, ronde koepel verheft.   
Het bestaat uit:  
een voorplaats die de oude voorkamer vervangt, en  
uit de grafcel.   
Deze laatste meet 2,07 m in de lengte van oost naar west, 1,94 m in de 
breedte en 2,50 m in de hoogte.  De ruimte is dezelfde als in Jezus’ tijd, 
maar wat de hoogte betreft, deze kan anders geweest zijn, want het 
gewelf is verdwenen.   
Overeenkomstig Katarina’s mededeling heeft de oostkant geen 
rotswand; de cel was daar open, doch nu is daar een muur gezet met als 
ingang een volboogdeur van 1,33 m hoog en 0,66 m breed.  De wanden 
zijn met marmertegels bedekt en van de oorspronkelijke rotswand en ‐
bank is niets te zien.   
Rechts van deze ingang is nagenoeg de helft van het kamertje door de 
lijkbank ingenomen.  Deze verheft zich 0,66 m boven de vloer, is 2,05 m 
lang (5 cm korter dan de cel) en 0,93 m breed (op 8 cm na de helft van 
de totale breedte).   
Noordwand en lijkbank maken met de grond één stuk uit.   
Met de zuidelijke wand is dit alles wat van het graf van Jezus is 
overgebleven, zoals het blijkt uit het dagboek van de monnik Maximus, 
werkopzichter bij de vernieuwing van de kapel na de afbranding der 
basiliek in 1808, maar de hoogte van het rotsgedeelte vergat of 
verwaarloosde hij aan te tekenen (cfr. Prat, J. Chr. II, 545).  
Het H. Graf bestond volgens Arkulfus (670) en anderen die het onbedekt 
gezien hebben, uit harde geelwitte kalkrots, die roodgeaderd en gevlekt 
is, zodat het ook juist is te zeggen dat dit steen rood of roodachtig is, 
wat weer overeenkomt met K.’s mededelingen.  Dit soort inlands 
marmer wordt in Palestina ‘Melki’, d.i. koningssteen genoemd.   
De muren van het grafgebouwtje zijn buitengewoon dik. 
*** 
Fascikel 32
601