background image
Zacheüs naar Kedar,
Taddeüs naar het vaderland van Bartolomeüs,
Tomas naar Samaria gingen en dat
Joannes tot in het gewest van Efeze trok.
Ook bezocht een apostel bij de Egyptische grens de stad die
gesticht was door godvrezende, voor de vervolging uitgeweken
Joden ten tijde van de Makkabeeën (cfr. fasc. 28, nr. 1624,
voetnoot 839).
Petrus was tussen Joppe en Lydda in een plaats of gewest bij
Sarona. (Dit ligt 4 km ten noordoosten van Joppe, het huidige
Jaffa). Hij had Silvanus, de leerling uit Sikar, bij zich.
Petrus deed talrijker wonderen dan de overigen (Hand. 9, 32-43;
10, 3). Hij dreef duivelen uit en wekte doden op, ja, ik zag dat
een engel vóór hem uittrok om de mensen te verwittigen dat zij
boetvaardigheid moesten doen en aan Petrus vragen wat zij
persoonlijk in het bijzonder moesten doen. De hoofdman
Kornelius hoorde ook reeds van hem, maar bekeerde zich toen
nog niet.
Vóór de steniging van Stefanus komen zij allen nog eens te
Jeruzalem samen, en wanneer zij zich dan weer zullen verdelen,
komt Petrus naar hier terug en dán zal de bekering van Kornelius
plaatshebben (Hand. 10, 1-48).
Jakobus de Mindere is in Jeruzalem gebleven, want zij hebben de
Bethesda-kerk nog in bezit. Maria en alle vrouwen, zelfs
Veronika, waren in Betanië.
16 en 23 juni; Sabbatten. –
Fascikel 34
978