background image
Tomas zegde hierop dat het de blindheid van de geest was, die
hem belette zijn bouwwerk te zien. Indien hij nochtans wilde
doen wat hij verlangde, zou hij hem het gebouw laten zien.
Nu beschreef Tomas hem de H. Kerk en de gehele leer van
Christus als een prachtig paleis en beval de koning in de naam
van Jezus gezond op te staan, om met hem het bouwterrein te
bezoeken.
Als zij er aankwamen, lag daar een grote boomstam, die de zee
uitgeworpen had en die zij met vele kamelen te vergeefs poogden
weg te slepen.
Tomas vroeg deze boom voor het bouwen van een kerk, indien hij
macht genoeg had om hem zonder enige andere hulp mee te
sleuren. De koning stond dit toe. Tomas nam nu zijn gordel,
bond hem aan de boomstam en trok deze zonder iemands hulp
naar de plaats waar hij de kerk wilde bouwen.
Hierdoor werden velen gelovig en ook de koning liet zich met een
groot deel van zijn volk dopen. Bij deze doop verscheen boven
het hoofd van de koning een licht dat zich van hem over het
volk uitbreidde. De koning kreeg tevens een visioen, waarin hij
onder het beeld van een groot gebouw, de goede werken van
Tomas en de vruchten van zijn apostolaat aanschouwde.
De kerk die Tomas hier bouwde, herinnerde mij telkens weer aan de 
Sint‐Jakobskerk te Koesfeld, ik vond dat ze er op geleek.  
Ik zag Tomas met veel volk van hier verder trekken.
***
(Uit het vervolg schijnt het dat Tomas zich nu naar Meliapoer 
begeeft.  Straks heel veel over deze stad, het toneel van het 
apostolaat van Tomas).   
Ik zag hem zieken genezen, duivelen uitdrijven en mensen dopen
aan een bron. De mensen moesten hem het fijnste brood brengen,
dat zij hadden; hij zegende het en deelde het uit. Maar hier was
een man aanwezig, die, als hij naar het brood wilde grijpen, ziek
Fascikel 36
217