background image
Ze waren niet onder de speelmakkers van Jezus in zijn jeugd
geweest (fasc. 7, nr. 197), daar zij in andere steden woonden,
maar zij hebben Hem gezien en gekend, wanneer zij de ouders
bezochten. Jezus’ speelkameraden in zijn jeugd waren
meestendeels uit Nazareth en zijn later van Hem weer afvallig
geworden (althans voor een tijd).
Simon de IJveraar had een betrekking bij een rechtbank in
Tiberias. Hij was zijn naam ‘DE IJVERAAR’ (Kananeüs)
verschuldigd aan de ijver waarmee hij zich kweet van zijn ambt.
Ik heb hem in dit gerechtshof gezien, toen de Heer eens in
Tiberias leerde (in de omstreken of naburig dorp, b.v. Kafarot,
want K. heeft eens gezegd dat zij Jezus nooit in Tiberias zelf
gezien heeft).
Zijn broer Jakobus de Mindere ging daar eens binnen en riep hem
naar buiten om toch naar de Heer te gaan zien. Simon keerde
zelfs in het gerechtshof niet meer terug, maar verliet aanstonds
alles en volgde de Heer en ik zag een andere zijn plaats innemen
(wellicht enige tijd later).
2291.
Judas Taddeüs zag ik nog eens tamelijk lang (3 jaar) na de dood
van de Heer door Tomas, die in een gezicht gewaarschuwd was,
met een brief naar koning Abgar van Edessa gezonden worden.
Ik zag dat alles wat Tomas in die brief geschreven had, hetzelfde
was wat Jezus hem had willen schrijven. Ik zag Abgar op een
rustbed liggen, toen Taddeüs met de brief aankwam.
Ik zag naast Taddeüs de stralende gedaante van Jezus, gelijk
Hij op aarde gewandeld had. De koning gaf geen acht op de
apostel noch op de brief, maar boog zich diep voor de
verschijning van de Heer.
Taddeüs had eerst iemand in de stad genezen en zich pas dan tot
de koning laten roepen. Deze was een rechtschapen man, maar
hij had de melaatsheid. Nadat hij met Taddeüs gesproken had,
Fascikel 36
243