background image
bijdehand en zwierig. (Dit schijnt zelfs te blijken uit zijn manier
van schrijven in het Evangelie79).
Hij was kaal van schedel, maar had vanaf het midden van het
hoofd naar achteren nog een spitse haarlok staan; zijn
wenkbrauwen waren boven zijn lange en rechte neus tot tegen
elkander gegroeid; zijn ogen waren levendig, zijn wangen mager,
maar toch roodgetint en met de kin in een blondgrauwe baard
gehuld. Zijn gestalte was recht en kwiek; hij was behendig, flink,
beweeglijk en niet van een zo gehoorzame natuur als Petrus. Hij
zag er bijna ouder uit dan Petrus.
Markus was niet altijd bij Jezus, maar menigwerf (= menigmaal)
verwijderd. Ook hij had zich met nog anderen geërgerd aan ‘s
Heren woorden: “Wie mijn vlees niet eet, zal het eeuwig leven
niet hebben.”
Kort vóór het lijden van de Heer nam hij ook aanstoot aan de
zalving door Magdalena. Bij Jezus’ gevangenneming verliet hij
het gezelschap, ging naar zijn land terug en voegde zich niet
eerder weer bij de Gemeente dan na de verschijning van de
verrezen Jezus op de berg bij Tebez, waar Petrus (en na hem ook
Jezus) de grote toespraak hield (cfr. fasc. 33, nr. 2092).
De vrouw van Markus woonde een tijdlang in Tebez en kwam in
de dagen vóór de hemelvaart naar Betsaïda. Zij was lang van
gestalte en in het aangezicht zeer rood, ging even voorover gebukt
en had iets in haar figuur dat de lachlust wekte.
79 Markus behendig, ras, zwierig. – Hoewel zijn Evangelie het kortste van de
vier is – het geeft een minder aantal feiten weer – getuigt het van
buitengewoon fijne opmerkingszin.
Zijn stijl, zoals zijn persoon door K. hier getekend, is levendig en vol
tekenende bijzonderheden, zodat men zich soms de vraag stelt:
“Heeft hij dit alles wel zo nauwkeurig gezien, bekeken, opgenomen?
b.v. wanneer hij de stuiptrekkingen van de maanzieke jongen beschrijft”
(Mk. 8, 13-28).
Het is ook mogelijk dat die stijl en uitbeeldingskracht gedeeltelijk de vrucht
en weerspiegeling zijn van het karakter van Petrus, want van deze zegt onze
zienster: “Petrus kon levendig vertellen.”
Fascikel 36
250